Start.Jenever historie.Schiedam.Bergen op Zoom.Familie nieuws.Tot slot.
www.familieholleman.nl.

Brandersknecht

Volgende pagina.

Hoe zag het werken in de branderijen er uit?

 

In de branderijen werd in die dagen een karig stuk brood verdiend. Het werk was enorm zwaar en alles was handarbeid bij een bezetting van drie man; de meesterknecht –heel soms was dat ook de eigenaar-, de knecht en dan nog de pomper. Dat was degene die de inhoud van de beslagbakken over pompte. Vele gebruiksvoorwerpen waren gemaakt voor een lange levensduur en niet om het gemakkelijk te kunnen gebruiken. De kit waarmee herhaaldelijk en gestadig de houten stellingen beklommen werd, om het hete water in de beslagbakken te storten, woog bijna evenveel als de inhoud van 20 liter heet water, dus een volle kit woog een kleine 40 kilo. De zakken met graanmeel wogen 65 kilo en het beslaan was verre van een licht karweitje. Tel daarbij op dat het zeer vroeg beginnen was en laat klaar en het laat zich raden dat de werkers vroeg versleten waren.

 

De meeste werklieden kwamen oorspronkelijk uit het Katholieke Duitsland, Hannover, Munsterland etc. (vandaar dat er in Schiedam -relatief gezien- nog steeds veel Duitse achternamen voorkomen) die door gebrek aan perspectief en de slechte toestand in hun vaderland op zoek waren naar een betere toekomst. Veel van hun hadden in eerste instantie het plan opgevat om naar Amerika door te reizen maar na een lang reis met veel omzwervingen –er waren nog geen spoorwegen en dergelijke- strandde ze vaak in Rotterdam en dus ook Schiedam. Zonder geld, met een lege maag, vermoeid en op zoek naar werk. Werk dat in Schiedam in de jeneverindustrie (moutwijn) wel te vinden was. Natuurlijk moesten deze mensen ook nog gehuisvest worden, nu was over de gehele linie de huisvesting voor de gewone arbeiders of werklieden toentertijd al bijzonder slecht maar de nieuwkomers moesten het met nog minder stellen. Tel daarbij op dat men toen nog niet beschikte over waterleiding of rioollering en je kunt begrijpen dat besmettelijke ziektes op de loer lagen. Het was dus mede dat door deze slechte sociale toestanden en het zware werk dat veel werklieden al op relatief jonge leeftijd bezweken.

 

In een verslag uit 1892 van een Staatscommissie krachtens een wet van 19 januari 1890 lezen we dat van verschillende arbeiders uit de branderijen een interview is afgenomen, hieronder een stukje uit dit verslag.

 

V(raag). Hoe is uw werktijd geregeld?

A(ntwoord). Ik werk van ’s-morgens 3 tot ’s-avonds 5 of 6 uur, dus 14 tot 15 uur per dag. Schaftijden zijn er niet, de boterham moet tussen het werken door uit de hand worden gegeten. Voor warm eten is geen tijd.

V. Heeft iemand in de branderij een schaftuur?

A. Nee, want als men met maar drie man is dan kan er niemand gemist worden. Was er meer volk dan kon men wisselen maar nu hebben we iedereen hard nodig.

V. Is er geen enkele branderij die net zo groot is waar meer werklieden werken? (Het betrof hier een zesbaksbranderij met 5 man personeel)

A. Wij zijn met ons vijven omdat er bij ons Weense gist geproduceerd wordt waarvoor meer werklieden nodig zijn. Met Hollandse gist is men in 1,5 tot 2 uur klaar, maar wanneer men aan de Weense gist ’s-ochtends om 4 uur begint dan is men pas om 10 uur klaar. Wanneer men dan Rooms Katholiek is dan lost men elkaar op zondag om de beurt af om naar de kerk te gaan. Aan de Weense gist heeft men 6 uur werk, aan de Hollandse veel minder.

 

Een arbeider werkzaam in een branderij volgens de Oudhollandse methode van gist maken gaf op de hem gestelde vragen de volgende antwoorden.

 

V. Wat voor werk doet u in de branderij?

A. Als pomper.

V. Dit betreft dus een branderij van de oude stempel? Tegenwoordig zijn er toch geen pompers meer in de nieuwere branderijen, niet waar?

A. Neen.

V. Waaruit bestaat uw werk?

A. In water pompen en daarmee de vaten afkoelen. Ik loop heen en weer aan de slinger.

V. Hoeveel mensen werken daar?

A. Met drie: meesterknecht, onderknecht em pomper.

V. Doet u nog iets anders dan de hele dag aan de slinger heen en weer lopen?

A. Wij komen om kwart voor vier. Het eerste werk is het beslaan. Wij storten de onderkitten in vier bakken. In iedere bak gaan 25 kitten kokend water en dan komen er nog 5 kitten koud water bij. Vervolgens gaat de mout er in en dan is het beslaan gedaan. (Hier wordt waarschijnlijk meel bedoeld ipv mout) Dan gaan de vier oudste bakken, 2 vroeg in de ochtend en 2 om 10.30 uur in de ketel en daarna gaat de onderknecht en ik boenen en verder de distilleerketel vol maken. Dan wordt de helm op de ketel gezet en verder alles klaar gemaakt. In de tussentijd kunnen we wat eten.

V. Hoeveel verdient u?

A. ƒ 9,- is bij ons het minste loon. (omgerekend €4,10)

V. Hebt u niet een hoger loon dan verschillende arbeiders in de nieuwerwetse branderijen? (Bedoeld wordt een branderij ingericht volgens de Weense of Franse methode)

A. Ja wel, maar in een Hollandse branderij moet harder gewerkt worden, in een Franse wordt veel met de machine gedaan.

V. Moet u ook op zondag werken?

A. Anderhalf uur.

V. Dat is dus beter dan in een Franse branderij het geval is?

A. Ja.

V. Door wie bent u aangenomen?

A. Door de meesterknecht.

V. Over het algemeen is het pomppersoneel niet erg honkvast, niet waar?

A. Ik blijf waar ik ben maar in het algemeen heeft u gelijk.

V. De band tussen werkgever en arbeider is dus maar zeer dun, niet waar?

A. Ja, de pompers hebben zeer zwaar werk te verrichten en daarom trachten zij bij een andere baas beter af te zijn.

V. Kunt u het pompen niet lang uithouden?

A. Dat wel maar het is zwaar werk. Ik doe ruim 3.500 slagen per dag.

V. Wordt er veel jenever gedronken in de branderijen?

A. Bij ons drinkt de meesterknecht niet meer dan éém borrel, zelf neem ik er 4 of 5 per dag maar wie wil kan er 14 of 15 per dag krijgen. De meeste nemen wat zij kunnen krijgen.

V. Is er dikwijls ziekte onder het brandersvolk?

A. Och, het staat met andere vakken gelijk……….

 

 

 

 

 

Natuurlijk moet men die toestanden in het branderijbedrijf zien door de bril van ruim een eeuw geleden. Over de gehele linie werden in de diverse industrieën maar ook in de landbouw dergelijke asociale toestanden aangetroffen. In vergelijking daarmee was het in het brandersbedrijf niet beter of slechter.

 

Kleine maar ook grote verwondingen zoals het oplopen van brandwonden, been- en voetkwetsuren kwamen inderdaad veelvuldig voor. De meeste van deze ongelukken waren te wijten aan onvoorzichtigheid van de werklieden, hoogst zelden was de baas wat te verwijten. Een actieve vakbond en/of Arboregels waren in geen velden of wegen te bekennen en om je baan te behouden namen de werklieden automatisch de schuld op zich. Ook de gelegenheid om alcohol te nuttigen tijdens het werk, in de bekende glaasjes zonder voet zodat ze niet neergezet konden worden, speelden ongetwijfeld een rol bij ongelukken.

 

De ruwketel, dat is de ketel waarin het uitgegiste beslag voor de distillatie gekookt werd, had het nogal hard te verduren. Vooral bij veelvuldig aanbranden van het beslag en het daarna niet behoorlijk verwijderen van de aanbrandresten. Voor het verwijderen van dergelijke resten moest de knecht dagelijks en na iedere stookbeurt in de ketel staan en dat was behoorlijk warm (restwarmte van het stoken) zodat ze dat zelfs in de winter in hun ondergoed moesten doen. Het zorgvuldig verwijderen van aanbrandresten was noodzakelijk want het kon het ketelmateriaal van roodkoper op den duur verbranden. Dat kan ten gevolge hebben dat de ketel plotseling openscheurde waarbij de kokende inhoud naar buiten golfde. In 1899 had een dergelijk ongeluk plaats in een branderij aan de Noordvestsingel dat aan twee knechts het leven kostte. In 1903 eveneens een dergelijk ongeval waarbij een man zijn leven verloor. Bij een ander ernstig ongeluk wordt vermeld dat toen een knecht de ingegraven bestebak, (waarin na afstoking van de ruwketel het nog kokende overschot als spoeling wordt afgelaten) aan het schoonmaken was een andere knecht de verschrikkelijke onvoorzichtigheid beging de het spoeling af te laten toen de man nog aan het schoonmaken was.

 

Het ingegraven bestvat, waarin de moutwijn wordt opgevangen, heeft bij het schoonmaken en repareren nogal eens ernstige ongelukken veroorzaakt. Wel werd voor de noodzakelijke werkzaamheden het bestvat enige dagen gelucht door dat men het deksel van het vat open liet maar afdaling in dat vat met open licht (bedoeld wordt kaarsen en olielampen) was niet zonder gevaar door de achter gebleven alcoholdampen die licht ontvlambaar was en de nodige keren een ontploffing, gevolgd door een brand, veroorzaakten. In 1896 ontstond een ernstig ongeval toen een knecht zijn collega in het vat wat wilde bijlichten met een kaars. Een ontploffing volgde en de onvoorzichtige kwam jammerlijk in de vlammen om.

 

Het verblijf in dit drie tot vier meter diepe grondvat was op zichzelf niet zo gevaarlijk. De alcoholdampen prikkelden wel sterk de slijmvliezen en de lucht (zuurstof) was deels verdrongen door die dampen, doch de man die in het vat aan het werk was kon wanneer hij het maar even benauwd kreeg het steile laddertje opklimmen om boven even een luchtje te scheppen. Beslist gevaarlijk was het in deze vaten af te dalen wanneer zij een tijdje buiten gebruik waren geweest en wat binnengedrongen grondwater tot rotting was overgegaan. Sommige rottingsgassen zetten het bloed chemisch om waardoor vrij onverwachts en snel bewusteloosheid intreedt. Gasmakers kenden men nog niet, een gordel met een touw was de enige voorzorgmaatregel.

 

De koperen helm op een ketel zakt iets in het helmgat en werd vastgeklemd en aangedrukt door een houten wigconstructie tussen helm en zolderbalklaag. Werd deze wig niet stevig genoeg aangeslagen dan trilde zij vaak los. De druk op de ketel tilde de helm iets op en de warme alcohol stroomde over de ketelrand. Het openvuur onder de ketel zorgde voor de rest. De houten balklaag boven de ketel was uiteraard der zaak kurkdroog door de warmte van de ketels en menig branderij ging door deze oorzaak in vlammen op. De ketel werd vaak omringd door een bakstenen muurtje om de lucht tussen ketel en muurtje zo optimaal mogelijk te kunnen verwarmen en deze warmte beter te kunnen regelen..

 

Volgende pagina.

Aan het eind van de 19de eeuw, omstreeks 1880, was de kleinschalige jenever industrie op zijn hoogtepunt in Schiedam. De kleinschaligheid blijkt o.a. uit het feit dat in een vierbaksbranderij maar drie personen werkzaam waren. De meesterknecht, de brandersknecht of brander en de pomper. De laatste zorgde dat de drank van het ene bewerkingsvat naar het andere vat werd overgepomt. Alles was nog handwerk, de werkdagen waren lang en er werd zeven dagen in de week gewerkt. Zondag korter dan op de weekdagen.  Hard en zwaar werk. De kit voor het water woog leeg al 20 kilo en gevuld met 20 liter water moest er dus 40 kilo gesjouwd worden. Trap op om boven de beslagbaken te komen en dan niet één keer maar tientallen keren en dag in dag uit. Zijn werkdag begon om drie uur in de ochtend en ‘s-middags om zes uur liep zijn dagtaak ten einde.Terecht dat hij met een fraai beeld nabij de Oude Sluis in Schiedam herdacht wordt.

 

Bron: De Moutwijnindustrie te Schiedam door Coen Kramers Thz, Schiedam 1945/46

 

De kit voor het water woog leeg al 20 kilo en gevuld met 20 liter water moest er dus 40 kilo gesjouwd worden. Trap op om boven de beslagbaken te komen en dan niet één keer maar tientallen keren en dag in dag uit.

Links: De pomper aan het werk, duizenden slagen per dag. Dan weer het overpompen van het beslag van het ene vat in het andere vat  en dan weer water oppompen om de vaten te kunnen koelen. Ook de spoeling moest weg gepompt worden.