Start.Familie nieuws.Rotterdam.Schiedam.Jenever.Tot slot.
www.familieholleman.nl.
Volgende pagina.

Branderij De Tweelingh / Kabouter

Het geheim van kabouterjenever
Henk van Gelder - 16 oktober 1995

Marten Toonder was het hele geval allang vergeten. En toen het hem na meer dan vijftig jaar opeens weer onder ogen kwam, zag hij ook eigenlijk niet in waarom er nu nog werk van zou moeten worden gemaakt. Ach, zo'n jeugdzonde. Destijds was het boekje nooit uitgegeven, waarom zou dat dan nu wèl moeten? Het was maar goed dat John Wigmans zo aanhield, anders had hij er nooit toestemming voor gegeven. Maar nu is het dan toch zo ver: vandaag verschijnt, in een liefhebbersoplage van 300 exemplaren, een zorgvuldig in- en uitgeleide uitgave van Het recept van Pinneke Proost - met een enthousiast voorwoord van Marten Toonder.

Het was op 11 augustus 1943 dat de Schiedamse distillateur Herman Jansen zich schriftelijk wendde tot de heer M. Toonder, Frederiksplein 30, Amsterdam. De jeneverstoker betoonde zich, hoewel naar eigen zeggen “de kinderschoenen reeds lang ontwassen”, een bewonderaar van de avonturen van Tom Poes in De Telegraaf, hetgeen hem op de gedachte had gebracht de maker van die 'meesterlijke' illustraties te vragen of hij bereid zou zijn een kabouter te tekenen die een waardig handelsmerk kon vormen voor zijn jenevermerk Kabouter. Het was een aardige, mooi geschreven brief. Toonder nodigde de man dan ook uit voor een gesprek, dat al spoedig tot concrete afspraken leidde.

Ruim een halve eeuw later herinnert Marten Toonder zich nog, dat hij de heer Jansen heeft voorgehouden dat een willekeurig kaboutertekeningetje geen zoden aan de dijk zou zetten: “Als zo'n ventje geen geheim en geen karakter heeft, is het waardeloos, net als de jenever van tegenwoordig. Ik legde hem daarom uit dat hij een verhaal nodig had om zijn figuur tot leven te brengen. En omdat het in dit geval geen strip kon zijn,
moest het maar een boekje worden. Een beetje mooi uitgevoerd - en een verhaal in de vorm van een legende.”
Hij zette zich aan de schrijfmachine en begon: “Lang, lang geleden kwam het voor, dat de mensen wel eens door kabouters werden geholpen. Het is erg lang geleden, maar wáár gebeurd is het; oude geschriften getuigen nog daarvan. Dat was een goede tijd; wanneer men niet wist hoe men zijn werk op tijd klaar moest krijgen, zette men maar een glaasje melk en een boterhammetje met kaas ergens neer en dan kwamen de kabouters 's nachts wel en maakten het af. Ja, een goede tijd was dat.”
De legende handelde over de achttiende-eeuwse Herman Janszoon, “een eerlijk en rechtschapen man” met een stokerij waar hij jenever en brandewijn maakte. Op een dag kreeg deze Janszoon bezoek van een vreemde signeur, die hem zegt tegen betaling van vele florijnen een jenever te kunnen fabriceren “die geurig en zacht is als vlindervleugels, er uitziet als vloeibare barnsteen en geurt als een bloeiende akker in de zomer”. De vreemdeling ontpopt zich als oplichter, maar uiteindelijk is het Pinneke Proost, de huiskabouter van Janszoon, die hem met een kruikje Kabouter-jenever het beloofde alsnog weet te leveren.

Al een paar dagen na het eerste gesprek was Marten Toonder in staat 'een tamelijk net typsel' naar Schiedam te sturen. Op 16 oktober 1943 schreef Herman Jansen terug, dat hij per separate post wat suiker en whisky aan de Toonders had gestuurd en dat 'de Oude Schiedamsche Legende' in de smaak was gevallen. Toonder zette daarop zijn studiomedewerkers aan het werk om de tekeningen uit te werken. Hans G. Kresse, de latere schepper van Erik de Noorman, was een van hen. Terwijl buiten de oorlog woedde, werd binnen op de tekentafels ‘Het recept van Pinneke Proost’ geïllustreerd. Jansen liet één correctie aanbrengen: zijn voorvader, een belangrijk personage in het verhaal, was door Kresse       
getekend als een gemoedelijk kereltje met een voorschoot om de buik en een mutsje waar wat piekharen onder vandaan kwamen. Dat was volgens de distillateur ongepast; de oude Herman Janszoon was anno 1777 een vooraanstaand ingezetene van de gemeente Schiedam, die dan ook een gedistingeerd voorkomen met een pruik en een elegante knevel moest krijgen. Gehoorzaam schiep de studio een nieuwe versie, al was het maar omdat Jansen een kistje met een klokkende inhoud had meegebracht.

Hoe het verder met het boekje is afgelopen is echter tot op de dag van vandaag een raadsel. In elk geval is het nimmer verschenen. Bij toeval ontdekte de Alkmaarse archivaris John Wigmans, die voornemens was een biografie over Hans G. Kresse te schrijven, bij de familie Jansen op zolder een stapel prenten en een modelboekje waarin de gezette tekst en de waterverfschetsen waren geplakt. Niemand weet meer wanneer dat model is gemaakt. Niemand weet ook waarom Het recept van Pinneke Proost nooit als boekje is verschenen. Hooguit, oppert Wigmans, valt te vermoeden dat Schiedam te elfder ure is teruggeschrokken voor de combinatie van een kinderverhaal met sterke drank.
Wel staat vast dat Toonder Studio's gedurende de bezetting veel genoegen heeft beleefd aan de regelmatige jeneverzendingen. Wat niet werd opgedronken, kon tegen zwarte-marktprijzen worden verkocht of geruild voor levensmiddelen. De distillateur is vervolgens eer bewezen met advertenties voor Kabouter-jenever in het satirische verzetsblad Metro dat tijdens en kort na de oorlog door Toonder werd gemaakt. Maar nu Het recept van Pinneke Proost voor ƒ175 per exemplaar toch nog in roulatie wordt gebracht, spelen zulke reclame-doeleinden geen rol meer.
Het merk is inmiddels niet meer in de handel evenals het boekje.
Volgende pagina.